Mézes tejföl, appelen en augurken
Hongarije en voedsel; het water loopt me al in de mond. Sütemény, en dan niet één gebakje, nee eenhele schaal vol met walnotengebak.Of kersen-walnoten, of enkel kersen.Bij voorkeur zelf geplukt en naar de keuken gebracht. Maar ik krijg ook visioenen van arme mensen met zakken augurken in de hitte langs de snelweg.
Mijn schoonmoeder te Fényeslitke, tegen de grens met de Sovjet-Unie, nu Oekraïne, was behalve intelligent en behulpzaam voor iedereen, ook dik en gezellig, een schat van een mens. Ik zie haar nog roodhoofdig uit de veel te kleine keuken komen, althans vóór ‘we’ verhuisden naar het prachtige landhuis. Een stokoude oven was het volgens mij, maar stuk kon het ding niet. Wel bakken, heel veel en heel erg lekker. Wat kon ze kokkerellen, mijn schoonmoeder! Met liefde, mag ik wel zeggen. Haar prachtige bruine ogen en gloeiende rode wangen boven een plaat net uit de oven genomen gebak. Zo wil men haar herinneren.
En zo typisch Hongaars: er kwam geen einde aan, hoe veel je ook at. Dat afgemeten koekje hier, of zelfs een grote moorkop, het blijft één gebakje. Misschien was er een ritueel en heb ik dat vast genegeerd. Net zoals ik het drankritueel wel eens vergat: de gasten nemen pas het glas ter hand als de gastheer dat doet. Zat mijn schoonfamilie hints te sturen naar die botte Hollander die soms in het vuur van weer zo’n heerlijke politieke discussie zijn glas een kwartier lang vergat te heffen. Maar dat kon je ook inhalen, en dan maar blijven bijschenken. Hongaarse wijn dus, in overvloed, en je hoefde er geen dagje Tokaj voor te doen. Vlees en gebak ogenschijnlijk zonder tekort – dat ze moesten sparen voor mijn eetlust zag ik aanvankelijk niet - maar drank in werkelijk alle hoeken en gaten van woningen, schuren en tuinen; goedkoop en vaak van een uitstekende kwaliteit. En ook al heel veel, onafzienbaar veel, was de voedselproductie waar ik vele jaren aan meegeholpen heb, in mijn geheugen dan: de oogst van appelen. We begonnen doorgaans na de nationale feestdag van 20 augustus, met de ‘Golden’, later in de herfst de tweede pluk van de rode appels, Jonathan enzovoorts. Ladders mee en hopen dat de vrouwen gezellig mee de boom in gingen. Later ook onze baby’s die zo heerlijk konden slapen in de boomgaard onder de bomen tot ze er rode koontjes van kregen. Een onuitwisbaar mooi beeld, met het heerlijke geluid van vogels en wegstervende stemmen in aanpalende boomgaarden. En altijdweer humor, hoe moe we ook waren.
Allemaal romantiek, in een zonnige, onbetrouwbare herinnering. Mijn schoonvader – die liever literatuur las dan in de tuin te moeten werken - had maar af te wachten wat de Russen van plan waren voor de appelen te betalen. Daar was geen peil op te trekken. Het was onderdeel van een groter spel van planningen en ruilhandel. De kleine zelfstandige – in Hongarije was eigen bezit geen enkel probleem - leerde pas na 1989 kennismaken met de tucht van de vrije markt, en dat was geen verbetering. Want ineens namen de Russen de appelen niet meer af. Slechte jaren waren dat. Een pretje was de voedselproductie en -handel volgens mij niet echt met zo’n onbetrouwbare markt, ofschoon in de goede jaren er soms veel geld te verdienen was.
In onze omgeving herinner ik me vooral de ellende van de augurken. Die waren na verloop van tijd nauwelijks nog iets waard. Stonden de mensen met de zakken augurken langs de snelweg in de hoop een paar kilo te verkopen voor een enkele dubbeltjes. Het was zo mogelijk nog troostelozer dan de meisjes die zich langs de weg aanboden aan vrachtwagenchauffeurs en zakenmensen te ver van huis om hun fatsoen in acht te nemen. De vreemdste herinnering is misschien wel die met ‘mézes tejföl’. Zure room met honing.
Tot het moment dat ik Fényeslitke onveilig kwam maken – over het volgen door de geheime dienst hebben we het een volgende keer – was tejföl of zure room iets voor het aanmaken van gerechten zoals over de heerlijke gevulde kool . Dat was het nationale gerecht, dat ik later overigens ook door Roemenen in Boekarest als ‘nationaal gerecht’ kreeg opgediend, en in Polen. Maar ik at de bekertjes tejföl leeg als koekjes, met scheppen honing erdoor. Daar ik hardliep, ook al zo’n rare bijzonderheid toen, verzon ik dat de lekkernij goed was voor het sporten. Wisten zij veel! Alhoewel, het werd wel opgepikt. Want plotseling stond het in een interview met een sportman in de regionale krant Kelet Magyarország, gepubliceerd in de stad Nyiregyhaza: de sportman in kwestie had een ‘geheim’: mézes tejföl, daar zwom hij zo hard van. Ik heb nog even overwogen om tejföl te gaan exporteren, want ‘zure room’ - zoals ik nu vrijwel dagelijks in de keuken gebruik - kende Nederland volgens mij nog niet. Laat staan bekertjes zure room met honing. Maar het was één van de vele luchtkastelen die ik, slechts geschikt voor journalistiek, voor de Hongaren in de omgeving bouwde.
Tekst: Peter Olsthoorn
Eerder gepubliceerd in HongarijeinZaken editie 15. Bestellen?
Subscribe



reacties
plaats een bericht
u moet ingelogd zijn om te kunnen reageren
Login - Registratie