Nederlands - Nederland
inZaken  »  Hongarije  »  Archief
 

“De Strijd voor vrijheid”

Article hasn't been rated yet. You need to be logged in to rate an article.

Gepubliceerd door: Raissa Bemelmans Gepubliceerd op: Thursday 08 May 2008, 10:35

Vrijheidsstrijd in de 19de eeuw

De goede relatie tussen de Hongaarse adel en de Habsburgers werd verstoord toen ‘volkskeizer' József II (1780-1790) de troon besteeg. Hij droeg meestal sobere uniforms en weigerde de Stephanuskroon. Voor hem was zij een museumstuk, een relict uit lang vervlogen tijden. Hij sloot alle kloosters die zich nog met scholing noch met sociale zorg bezig hielden en schafte - tot grote schrik van de adel - de lijfeigenschap van de boeren af. Daarnaast verleende hij burgerrechten aan protestanten en joden en voerde hij het Duits als ambtelijke taal in. Zijn opvolger Leopold II (1790-1792) had de grootste moeite om de woedende Hongaarse adel te kalmeren. Hij moest het grootste deel van de veranderingen terugdraaien en het zelfbestuur van de oude komitaten (provincies) opnieuw toestaan.


Onder Ferenc II (1792-1835) kwamen de Habsburgers terecht in de maalstroom van de Franse Revolutie. Oostenrijk en Hongarije gaven zoveel weerklank dat de Weense regering zich, onder invloed van een permanente angst voor een revolutie, steeds meer ontwikkelde tot een onverbiddelijk spionage en politieregime. Toen in 1794 enkele Hongaarse intellectuelen en patriotten zich verenigden in een republikeins gezind genootschap, sloeg de keizer genadeloos toe en liet de vermeende samenzweerders op het Vérmezö, het bloedveld in Boeda, onthoofden. Dat leverde weliswaar martelaars op, maar had ook het twijfelachtige resultaat dat er jarenlang geen openlijke verzetsbeweging meer opstond in Hongarije. Istvá Széchenyi, Sándor Petöfi, Lajos Batthyány en Lajos Kossuth echter, mannen wiens namen op de straatnaambordjes van iedere Hongaarse stad te vinden zijn, gaven de gedachte aan een nationale hervorming niet op. István Széchenyi (1791-1860) stichtte de Hongaarse Academie van Wetenschappen, liet de eerste brug tussen Boeda en Pest bouwen, reguleerde de Donau en Tisza en introduceerde de stroomvraat op de Donau. Hiermee legde hij de basis voor een economische opleving. Een kring van jonge revolutionairen rond de populaire dichter Sándor Petöfi (1823- 1843) kondigde een twaalfpuntenplan af, waarin onder meer gelijkheid van alle burgers voor de wet, kiesrecht werden geëist. De geniale redenaar en jurist Lajos Kossuth (1802-1894) werd leider van de beweging. In 1848, toen Ferdinand V in Wenen zijn handen vol had aan een revolutie in eigen land, lukte het Kossuth de toestemming van de keizer te krijgen voor een eigen Hongaarse regering. Onder Lajos Batthyány (1806-1849) nam de nieuwe regering binnen een paar dagen het besluit tot het oprichten van een eigen leger, het invoeren van belastingplicht voor de adel, het afschaffen van de censuur en algehele afschaffing van de lijfeigenschap waarin nog altijd meer dan een derde van de bevolking leefde.

 

Verzet tegen de bevrijdingsbeweging kwam niet alleen uit Oostenrijk, maar ook uit Hongarije zelf. Kossuth was niet bereid de in het land levende Duitsers, Serviërs en Kroaten, die tezamen altijd nog zestig procent van de bevolking uitmaakten, een autonome status toe te kennen. Met steun van deze bevolkingsgroepen en een 200.000 man sterk leger, gestuurd door de Russische tsaar, lukte het keizer Franz Josef I de Hongaren vernietigend te verslaan. De bevrijding van Hongarije was mislukt. De helden van de revolutie ondergingen een vreselijk lot. Kossuth vluchtte naar het Osmaanse rijk, Petöfi sneuvelde op het slagveld, Batthyány werd geëxecuteerd en Széchenyi eindigde in een inrichting waar hij zelfmoord pleegde. De Oostenrijkse - Hongaarse monarchie Na de mislukte opstand was Hongarije nog slechts een Oostenrijkse provincie, bestuurd door Ambtenaren uit Wenen. Na moeizame onderhandelingen bereikte de Hongaarse jurist Ference Deák een compromis dat beide partijen tevreden stelde: het Habsburgse rijk werd een Oostenrijks-Hongaarse monarchie. Op 18 juni 1867 liet Franz Josepf zich met pracht en praal plechtig tot koning kronen in de Mátyás-kerk in Boeda. Er begon voor Hongarije een nieuw gouden tijdperk. De industrialisatie van het land nam een hoge vlucht, vooral in de sectoren machineproductie en verwerking van landbouwproducten. Ook ontstond er binnen een paar jaar een spoorwegnet. De locomotieven en wagons werden in Hongarije gebouwd en de rails door Hongaarse bedrijven gelegd. Uit de vereniging van de oude steden Pest, Boeda en óboeda ontstond de nieuwe hoofdstad Boedapest, die in pracht en praal niet onderdeed aan Wenen.

 

De opleving van het land leverde Hongarije ook een eigenzinnige architectuur op. Omdat de late barok en rococo uit Oostenrijk kwamen en werden geassocieerd met de katholieke Habsburgers, gaf men in calvinistische en anti-Habsburgse kringen de voorkeur aan het soberder classicisme, dat werd beschouwd als nationale Hongaarse stijl. De belangrijkste classicistische bouwwerken in Hongarije zijn de imposante kathedraal van Eger en in Boedapest de evangelische kerk aan het Deák-plein en het Hongaars Nationaal museum. Aan de Donau, aan de kant van Pest, verrees naar Londens voorbeeld het neogotische monumentale Hongaarse parlement.


In het centrum van de stad werden gehele huizenrijen verbouwd in historiserende stijlen (neorenaissance, neobarok). In de laatste jaren van de 19de eeuw ontwikkelde zich ook een echt Hongaarse variant van de Jugendstil. Vrolijke kleuren, weelderige ornamenten, met glanzende tegels bedekte façaden en allerlei toegevoegde, kleurige folkloremotieven lijken een onbezorgde, nationale trots uit te drukken. De meeste Jugendstilgebouwen staan in Boedapest, zoals bijvoorbeeld het Gellértbad. Het originele en kleurrijke gemeentehuis Kiskunfélegyházá, het Palais Reök in Szeged, het hotel Savaria in Szombathely. Maar ver weg van de fonkelende kroonluchters van de opera, het tumult op de beursen en de met fluweel geblindeerde kantoren leefden honderdduizenden in armoede.

 

In de provincies zag het er al niet veel beter uit. 6000 grootgrondbezitters met elk meer dan 500 hectare land stonden tegenover een leger van kleine boeren, om te overleven, die als dagloners moesten werken in de mijnen, de scheepsvaart op de Donau of bij de spoorwegen. De tweedeling in de maatschappij leidde tot een solidariteitsbeweging onder de arbeiders. De vertwijfeling dreef de mensen tot gewelddadige demonstraties en talloze stakingen, waarvan vele bloedig eindigden. In 1880 richtte Leó Frankel de Algemene Arbeiderspartij op, die een tien-urige werkdag, een verbod op kinderarbeid en gelijke beloning voor vrouwen eiste.

De Eerste Wereldoorlog

Naast de sociale tegenstellingen bleef een ander probleem onopgelost: de al tijdens de vrijheidsstrijd voelbare, onvermijdelijke spanningen tussen de Hongaren en de andere in het land wonende nationale minderheden. De tegenstellingen verscherpten door een Magyariseringsprogramma dat het Hongaars als onderwijs- en ambtelijke taal had gapland, waarmee Duiters, Kroaten, Serviërs en andere minderheden de toegang tot overheidsambten werd ontzegd. Dit leidde met name onder de Serviërs tot ongenoegen. Extremisten die over een Groot-Servische staat droomden en door Servië werden gesteund, kregen steeds meer bijval. Nadat op 28 juni 1914 een Servische nationalist het Oostenrijke troonopvolgingpaar had vermoord, verklaarde Oostenrijk-Hongarije de oorlog. Op 31 oktober 1918 kwam het tot een algemene staking. Twee weken later, op 16 november, riep de voorzitter van de Nationale Raad, graaf Mihály Károlyi, in Boedapest de Republiek Hongarije uit. Bijna gelijktijdig verklaarden Roemenen, Slowaken, Kroaten en Serviërs zich onafhankelijk. Het Keizerrijk Oostenrijk- Hongarije was niet meer.

 

Tekst: © Team HiZ EVB 2007
Bron: Nellis gids

Eerder gepubliceerd in HongarijeinZaken editie 9. Bestellen?

 

Article hasn't been rated yet. You need to be logged in to rate an article.

reacties

plaats een bericht

u moet ingelogd zijn om te kunnen reageren

  • Facebook
  • LinkedIn
  • Twitter